“Moal Pietje,” noemden ze hem. Malle Pietje.
Pietje had een licht verstandelijke beperking, wat hem
kwetsbaar maakte en helaas tot een gemakkelijk doelwit. Waar de jeugd hem
bespotte, zagen fotografen juist iets anders in hem: een excentrieke verschijning,
anders dan anderen. Er ging iets van hem uit dat moeilijk te benoemen was. Een
oprechte, bijna ontwapenende levensvreugde.
“Als iemand gelukkig wil zijn, moet hij een beetje gek zijn,”
zo klonk zijn levensmotto door de straten van Groningen.
1.Een simpele zonderling
Samen met zijn oude moedertje woonde Pietje in een smal
zijgangetje aan het Zuiderdiep, waar twee krotwoninkjes tegen elkaar aan
leunden. In het ene huisje leefden hij en zijn moeder, in het andere een oude
vrouw, alleen in haar eenkamerwoning. In het gangetje hing een stille armoede,
die door omstandigheden dragelijk was geworden.
Wekelijks ontvingen ze steun van de kerk om het leven iets makkelijker
te maken. Het kerkelijk armenbestuur zorgde voor een partij turf en een klein
geldbedrag. Met een geleend handkarretje ging Pietje elke week op pad om deze
benodigdheden op te halen.
Niet alleen voor zijn moeder deed hij dat. Ook zijn tante,
die aan de Driemolendrift woonde. Zij kreeg net als Pietje en zijn moeder kreeg
hulp van de kerk. Zonder aarzelen nam Pietje haar spullen altijd mee.
Dankbaarheid hoefde hij echter niet te verwachten. Geen kopje koffie, geen
vriendelijk woord… alleen gemopper en snauwen.
“Du bist gain professor, du bist een stumper!” beet ze hem toe.
Toch bleef hij haar helpen. Pietje vond haar een gek wijf en haar scherpe
woorden leken hem nauwelijks te raken. Hij wist dat ze het niet kon verkroppen
dat zijn moeder zo’n eenvoudige ziel had opgevoed.
2.Eenvoudig van hart
De winter was al ver gevorderd en
week na week had Pietje trouw de turven bij de kerk opgehaald. Steeds weer trok
hij eropuit met zijn handkar, om de brandstof en het geld voor zijn moeder en
zijn tante te halen en netjes af te leveren.
Maar op een dag besloot zijn
tante, zonder een woord te zeggen, naar het politiebureau te gaan. Ze diende
een klacht in tegen haar neef. Volgens haar verduisterde Pietje al de hele
winter turven. Ze was argwanend geworden nadat een kennis haar had verteld
hoeveel ze eigenlijk hoorde te krijgen. Vanaf dat moment was ze gaan tellen en
telkens ontbraken er zeker vijfentwintig turven. In haar ogen kon dat maar één
ding betekenen: Pietje hield ze achter, misschien zelfs om ze te verkopen.
Haar wantrouwen ging verder. Niet
alleen de turven, ook het geld dat hij voor haar meenam, zou hij in eigen zak
steken.
Pietje zat rustig op zijn stoel,
terwijl zijn moeder bezig was met het avondeten. Voorzichtig begonnen de mannen
hem te ondervragen, maar een duidelijk antwoord bleef uit. Hij staarde voor
zich uit en deed zich onnozeler voor dan hij werkelijk was.
“Kom op, Pietje,” drong de
kerkmedewerker aan. “Je zit anders nooit om een woord verlegen. Wat heb jij met
die turven gedaan?”
Pietje haalde slechts zijn
schouders op en mompelde onverstaanbare woorden. Meer kwam er niet.
Met een zucht begon de brigadier
te rekenen. Hij stelde vast hoeveel turven Pietje wekelijks ontving en hoeveel
er volgens de klacht ontbraken bij zijn tante.
Al die tijd had zijn moeder zich afzijdig gehouden, alsof het haar niet betrof. Maar nu was voor haar de maat vol. Ze zette de pan op de grond en kwam dichterbij. “Wel deksels! Dan besteelt Pietje míj ook!” riep ze plotseling. Ook zij bleek minder te hebben ontvangen dan waar ze recht op had. Iets wat haar pas duidelijk werd toen ze hoorde hoeveel haar werkelijk toekwam.
De situatie werd voor Pietje
steeds moelijker. Zelf zei hij weinig, maar de brigadier richtte zich nu tot
zijn moeder. Tijdens een langdurig verhoor kwam aan het licht dat ook het geld
dat Pietje wekelijks van de kerk meekreeg, niet volledig werd afgedragen.
Uiteindelijk brak Pietje.
Aarzelend kwam hij met een antwoord dat niemand had zien aankomen.
“Dat geld is toch voor de helft van mij?” vroeg hij, met een bijna kinderlijke
oprechtheid.
De aanwezigen keken hem sprakeloos
aan. Voorzichtig probeerde de kerkmedewerker hem uit te leggen dat zijn moeder
het hoofd van het gezin was en dat de toelage voor haar bedoeld was. Maar
Pietje week niet van zijn gedachten af, want hij warmde zich immers ook aan het
vuur en at mee van het eten.
De brigadier bekeek hem aandachtig
en schudde bedachtzaam zijn hoofd.
“Maar je hebt geen recht op de turven van je tante, hè?”
Pietje rolde overdreven met zijn
ogen, zakte terug in zijn stoel en hulde zich opnieuw in stilzwijgen, alsof hij
niets begreep. Ondertussen was zijn moeder in woede ontstoken. Ze schold hem voor
van alles uit.
Plotseling ging de deur
voorzichtig open. Een broos, stokoud vrouwtje verscheen in de deuropening. Zij
was de buurvrouw uit het andere krot, waar ze al jaren alleen leefde, wachtend
op de dood.
Haar binnenkomst bracht een
plotselinge stilte. Moeder slikte haar laatste scheldwoord in en staarde haar
met grote ogen aan. Pietje stond te trillen op zijn benen, vanwege zijn moeder.
Het oude vrouwtje keek naar het
gezelschap in de kleine kamer en begon zacht te spreken.
Iedereen was haar vergeten,
vertelde ze, zelfs haar eigen zoon. Haar verleden was zwaar geweest, maar dat
lag achter haar. Nu was ze vooral ziek, verzwakt en gekweld door reuma. Soms
was ze zo stijf dat ze niet eens kon bedelen.
Er viel een korte stilte. Toen
richtte ze haar blik op Pietje.
“Hij… hij bracht mij elke week een paar turven,” zei ze. “En soms kocht hij ook
wat koffie… of een stuk brood.”
Deze woorden liet ieder zwijgen.
Moeder keek naar haar zoon, en een
golf van schaamte en schuld trok over haar gezicht. Pietje zelf zei niets. Voor
hem was het vanzelfsprekend, niet meer dan zijn plicht tegenover een
hulpbehoevende buurvrouw.
De kerkmedewerker was zichtbaar
ontroerd en de brigadier legde Pietje zwijgend een hand op de schouder.
Zonder nog iets te zeggen stond
Pietje op. Hij pakte zijn rieten wandelstok en liep de deur uit.
Vanaf dat moment kregen zowel zijn
moeder als zijn tante hun eerlijke aandeel turven. En ook de oude buurvrouw
werd niet langer vergeten: zij kwam onder de zorg van het burgerlijk
armenbestuur en vond uiteindelijk, na een zwaar leven, in alle rust haar einde.
Sommigen dragen hun armoede
zichtbaar met zich mee en weten daar zelfs voordeel uit te halen. Anderen,
zoals Pietje, trekken door hun eenvoud en kwetsbaarheid als vanzelf de aandacht
en vinden daardoor hulp.
Weer anderen, zoals zijn tante,
weten met mooie woorden en sluwe praatjes hun weg te vinden.
Maar er bestaat ook een andere
groep…zij zijn stiller, onzichtbaarder. De vergeten armen. Mensen zoals de oude
buurvrouw, die in stilte lijden en nauwelijks worden opgemerkt, totdat iemand
hen eindelijk écht ziet.
Vreemden vonden er hun weg, maar
vooral de vaste gasten gaven de plek haar vertrouwde karakter.
En in dat beeld ontbrak één figuur
nooit: een klein mannetje in armoedige kleding, met een stok en een vriendelijk
gezicht; Pietje Sigaar.
Pas later zouden mensen hem
vergelijken met Charley Chaplin. Maar toen hoorde hij eenvoudigweg bij de
namiddag, bij de straat, bij het dagelijks leven.
Met scherpe blik hield Pietje de rokende mannen in de gaten, altijd wachtend op het moment dat een sigaret werd weggegooid. Dan schoot hij toe om de peuk op te rapen, zodat hij de restjes in zijn pijp kon stoppen.
Elke middag liep hij er op en
neer, onvermoeibaar, op zoek naar wat voor anderen waardeloos was. Hij wist de
aandacht te trekken. Soms werd er spottend een peuk voor zijn voeten gegooid,
terwijl anderen hem die gewoon gaven.
“Hier, die mag je hebben,” klonk het dan.
Pietje deed niemand kwaad. Hij
zocht alleen naar wat achterbleef.
Toch viel hij op tussen de menigte…zózeer
dat ook de plaatselijke jeugd hem al snel in het vizier kreeg.
Dat er op die plek regelmatig iets
gebeurde was voor niemand vreemd. Zo is Pietje in 1894 eens aangereden door een
rijtuig. Hij raakte hierbij aan zijn hoofd en schouder gewond en werd daarom
overgebracht naar het ziekenhuis. De komende periode bleef Pietje uit beeld,
maar eenmaal opgekrabbeld, diende hij zich weer aan alsof er niets gebeurd was.
Door alle tijden heen zijn er
mensen geweest die zich verheven voelen boven een ander en die dat verschil
gebruiken. Voor hen wordt een kwetsbaar mens al snel een speelbal, iemand die
zich niet kan weren.
De plaatselijke jeugd in Groningen
zag in Pietje zo’n speelbal. Hij werd hun vermaak; zijn reacties daagden hen
uit om steeds een stap verder te gaan.
Op een koude woensdagmiddag in 1897 liep het opnieuw uit de hand. Twee jongens van zestien en zeventien besloten zijn dag te vergallen. Wat begon met woorden, ontaardde al snel in geweld. Ze gooiden stenen naar hem. Eén trof hem boven zijn oogkas. Het bloed stroomde langs zijn gezicht naar beneden.
In paniek zocht Pietje bescherming
bij een voorbijganger, maar die koos snel het hazenpad. Hoewel hij zag wat er
gebeurde, koos hij voor zichzelf en liep snel door, weg van het gevaar.
Niet veel later verscheen de politie. De twee jongens werden bij hun kraag gegrepen en zouden zich later voor de rechter moeten verantwoorden voor hun wrede spel.
Maar met dat voorval kwam geen
einde aan de pesterijen. In de jaren die volgden bleven de pesterijen
aanhouden. En langzaam veranderde er iets in Pietje.
Wat ooit een zachtaardige,
onschuldige man was, werd steeds achterdochtiger en grimmiger. Het voortdurende
getreiter liet zijn sporen na. Straatfiguren zoals hij moesten het vaker
ontgelden, en ook Pietje bezweek onder die druk.
De jeugd dreef hem tot gedrag dat
niet bij hem hoorde.
Hij werd boosaardig, rusteloos…soms
zelfs onberekenbaar. Wat voor anderen vermaak was, werd voor hem waanzin.
Pietje, ooit een vertrouwd en
bijna vriendelijk onderdeel van het straatbeeld, veranderde in iemand die
overlast veroorzaakte en geregeld met de politie in aanraking kwam.
Het was niet ongebruikelijk meer
dat agenten hem meerdere keren per dag opzochten. Uiteindelijk leidde zijn
gedrag zelfs tot een tijdelijk straatverbod.
Tegelijkertijd begon hij zichzelf
te verwaarlozen. Zijn uiterlijk, zijn houding…alles droeg de sporen van een
leven dat uit balans was geraakt.
Een opname in een gesticht leek slechts kwestie van tijd.
5.Tot waanzin gedreven
In 1900 was er weinig over van de
zachtaardige Pietje die ooit door de straten van Groningen zwierf. De jaren van
spot en mishandeling hadden hun tol geëist.
Hij had geen geduld en geen
verdraagzaamheid meer voor zijn medeburgers. Wat hij zo lang had verdragen,
keerde zich nu naar buiten.
De pesterijen was hij zat. Ditmaal
beet hij hard van zich af, agressiever dan ooit tevoren. Zijn gedrag escaleerde
zodanig dat hij werd opgepakt en overgebracht naar Haren. Maar daar zag men
geen oplossing; de rijksveldwachter besloot hem terug te sturen naar Groningen,
in de hoop dat hij nog een kans verdiende.
Die hoop bleek ijdel. Nog geen
paar uur later moest de politie hem opnieuw oppakken.
Nog geen maand daarna nam de
officier van justitie een definitief besluit. Op grond van artikel 13 van de
Krankzinnigenwet werd een machtiging aangevraagd om Pietje in een gesticht te
laten opnemen. Zijn gedrag liet, in de ogen van de autoriteiten, geen andere
keuze meer toe.
Enkele dagen later werd hij, onder
begeleiding van twee rijksveldwachters in burger, overgebracht naar Medemblik.
Daar zou hij worden geobserveerd en het was nog de vraag of men hem krankzinnig
genoeg vond om hem daar te houden. In theorie bestond de kans dat hij zou
terugkeren naar Groningen.
Maar die kans bleek illusie. Het
gesticht hield hem daar.
De stad die hem had gevormd,
getekend en uiteindelijk had gebroken…zou hij nooit meer terug zien…
Op zondag 10 maart 1901 verscheen
in het Nieuwsblad van het Noorden een bericht over het overlijden van
een zekere Pieter Matroos. Omdat maar weinigen de werkelijke naam van Pietje
Sigaar kenden, ging in Groningen al snel het gerucht dat híj was overleden. De
stad meende haar bekende straatfiguur te hebben verloren, en er verscheen zelfs
een artikel waarin werd geschreven dat Pietje Sigaar het leven had gelaten.
De vergissing was snel duidelijk.
Onmiddellijk werd de krant aangeschreven om deze pijnlijke fout recht te
zetten.
“Wij ontvingen de volgende
briefkaart: Mijnheer de Redacteur! Naar aanleiding van het berichtje
voorkomende in uw blad van Zondag 10 Maart over Pietje Sigaar, wil ik u melden,
dat hij springlevend is en hier gekker dan ooit rondloopt. Mej. A.W. en J.R. Logées
in het Rijkskrankzinnigengesticht, Medemblik.”
De verwarring bleek te berusten op een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Pieter Matroos, over wie het oorspronkelijke bericht ging, werd volgens de aktes ongeveer veertig jaar oud. Pietje Sigaar was op dat moment al ouder, maar zijn jeugdige uitstraling had ertoe geleid dat men hem voor de ander had aangezien.
7.De koning van Groningen
Uiteindelijk verstreken de jaren…drie
in totaal. En Pietje keerde niet terug naar zijn geliefde Groningen.
Zijn oude slaapplaats onder de
Boteringebrug werd ingenomen door anderen, minder geliefde straatfiguren. Ruwe
types, die het straatbeeld een andere sfeer gaven.
Toen het bericht van zijn overlijden naar buiten kwam, wist men in Groningen hem nog goed te herinneren: de man die door de Heerestraat zwierf, altijd op zoek naar zijn peukjes…de man die langzaam tot waanzin was gedreven.
Zelfs jaren later, in 1965, leefde zijn herinnering nog voort. In een krantenartikel schreef een lezer hoe meelijwekkend Pietje was geweest. Wanneer iemand hem een sigaar gaf, voelde hij zich even een heer van stand. Dan liep hij trots door de Heerestraat…schouders naar achteren, buik vooruit… alsof hij de koning van Groningen was.
Het maakte des te schrijnender hoe
de jeugd hem had behandeld. Want kwaad zat er niet in Pietje. Hij was, in al
zijn eenvoud, een goed mens. Juist die goedheid maakte hem kwetsbaar en
uiteindelijk werd hij erdoor gebroken.
Pietje keerde nooit meer terug naar zijn stad.
Na zijn overlijden is hij ten
rustte gelegd in Zutphen. Ver weg van alles wat hij kende. In anonimiteit werd
hij begraven, zoals het vaker met patiënten uit gestichten in die tijd gebeurde.


.webp)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten